Gedichten 71 t/m 100

De eeuwige spijt.          71


Een romantische zot, zal ik altijd en eeuwig zijn.
Mijn woorden vervliegen, met de loop van de tijd.
Maar als ik uw schoonheid niet beschrijven zou,
zou er niets anders over zijn dan de eeuwige spijt.

Uw slanke lichaam, als ranken zo sierlijk.
De vruchten als trossen, zo zoet als u zelf.
Uw schouders gemaakt te dragen de kleding,
met zwevende passen, als ware u elf.

De wijdse blik in uw ogen, het puntje van uw neus,
de golvende haren, langs uw lang gerekte nek,
uw stralende lippen, die geruisloos spreken.
Zo krijgt uw schoonheid, voor eeuwig haar plek.

Ik wil niet in stilte en zijde mijn liefde omhullen.
Voor eeuwig wil ik woorden en zinnen schrijven.
Met de juiste snaren, de zuiverste noten en tonen
Om u te bezingenen en in rotsen te beklijven.

Nooit zal ik meer aanschouwen een andere vrouw.
U alleen mag mij verblinden, als straf voor de zonde,
als ik een blik werp of spreek tot een andere jou.
Ruk mij de ogen uit en snoer mij de monde.

Laat mij maar dolen als een romantische zot,
een ouwe gek ver weg van de werkelijkheid.
Maar had ik uw schoonheid niet beschreven,
dan restte u mij slechts.
De eeuwige spijt.
De eeuwige s

De dichter.            72
 
Zoals de dichter dicht,
opent de opener,
de fles vol inspiritatie.
Het glas wordt gevuld.
Donkerrode inkt,
waarin de dichter,
zijn ziel doopt.
Als een baby,
een onbeschreven blad.
De wijn benat het papier.
De dichter krast er
letters in die,
samenvloeien tot,
woorden, zinnen, gedichten,
vrolijke vergezichten,
of juist donkere gedachten.
Elk vel wordt
opnieuw gehuld,
als het glas is gevuld.
De opener opent.
De dichter dicht.
Tot er niets meer te openen valt
en hij met zijn ogen dicht
tegen de bodem knalt. 

Ik lees je.           73

Ik lees jouw leven,
zoals een blinde braille leest.
Met mijn vingertoppen
Volg ik jouw verhaal.
Je kraaienpootjes, je rimpels,
de ouderdomsvlekken op je handen.
Ik voel je losse vel,
je hangende borsten,
je broze handen.
In elke plek
herinner ik ons leven samen.
Je jeugdigheid verdwenen,
heeft plaatsgemaakt
voor de schoonheid van
de ouderdom.
Daar waar
zoveel in is te lezen.


Verwoeste stad      74

Twee armen
liepen door de streek,
waar niets meer leek,
op wat ooit was.
Hun stad, straten,
huizen, winkels verlaten.
Nu een hoop puin,
waar geen kind meer speelt.
Geen hoop.
Ze lieten hun benen,
over mijnen lopen.
Hun harten stil,
zoals de straat.
Hun bloed kleurde
de grijze chaos.
Pijn en verdriet,
voelde de armen niet.
Vier benen,
beenden fier verder
naar onbekende bestemming. 

Mijn maan.         75

 
Donker is de ondeugende nacht.
Ze lacht haar borsten bloot.
Ze licht mij bij zich.
Ze ligt op de scheiding,
van wad en het achterland.
Ze pakt mijn koude bevende hand,
en legt hem op haar warme zwarte gat.
Ze maakt haar eigen universum.
Sterren stralen.
Ik zie er steeds meer in mijn oog.
Ze verlichten en bedwelmen mij.
Dan leg ik een Melkweg in haar aan.
Als ze weer op aarde komt,
en de zon langzaam opkomt.
Is het gedaan met de nacht.
Ze lacht en kijkt me ondeugend aan.
Nog zoveel zomer voor de boeg.


12 Tonen en 26 letters.  76

Met twaalf tonen,
zijn uren durende requiems geschreven.
Opera’s, strijkkwartetten.
Door componisten, gedreven,
door passie voor muziek,
hebben zij geroerd,
met noten gesmeten,
mensen ontroerd.
 
Met zesentwintig en wat dubbelklanken,
zijn boeken volgeschreven,
met gedichten, romans, verhalen.
Door schrijvers, gedreven,
door passie voor literatuur,
hebben zij,
met inkt gevuld,
verhalen genoteerd,
harten vervuld.
 
Nu kan ik ontelbare dagen en nachten,
slechts met cd en boek,
me met hun fantasieën omhullen.
Ben ik twaalf tonen en zesentwintig letters zoek.

Vermenigvuldigen.     77
 
Optellen en delen laten mij koud.
Van aftrekken krijg ik het warm.
Met vermenigvuldigen ook.
Alleen niet te vaak,
anders zit je zo op zwart zaad.
Eten ze je de kleren van je lijf.
Daarom houd ik mijn jonge heer,
in het gareel.
Bij tijd en wijle stijf,
maar meestal hangend.
Want ik weet waar de klok hangt
en zeker ook de klepel.
Dat heeft mijn oude heer,
mij gevoed met de paplepel.
Vermenigvuldigen is leuk,
maar niet te vaak.
Anders sla je met je jonge heer,
het eten van de tafel.
En daar had ik als kind
ook al zo’n moeite mee. 

De doods-it.        79

Rust zal immer bij je zijn,
nu alles automatisch gaat.
Je hoeft je slechts te roeren,
of de klok de juiste slag nog slaat.
 
De gehele dag zal je turen,
naar de wijzers van de klok.
Want de dood zal spoedig komen,
al gereden op zijn bok.
 
Ook hij komt thans automatisch,
hij heeft ook laptop en mobiel.
Hij belt je even van tevoren,
en mailt je achteraf of het beviel.
 
Een enquête voor de efficiëntie,
dat heeft toch elk bedrijf.
Een klanttevredenheidsonderzoek,
voordat je koud bent en stijf.

Rouwband.             80
 
Godskleren,
wat is het leven zwart.
Zoveel zwarte harten.
Gitzwart van het opgedroogde bloed,
onder lijkwades,
of in zwarte bodybacks.
Ik hul mij in zwarte kleren
en draag een rouwband,
zodat ik woordeloos,
kan laten zien,
dat er geen land is
waar moordeloos
geleefd kan worden.
Zinloos geweld.
Waar geen woorden bestaan,
Waar geen bestaan is zonder
doden, die nog een leven hadden,
om hun gevoelens,
hun gedachten,
woord te geven,
zin te geven.
Aan hun leven,
hand in hand.
Daarom draag ik elke dag
Een rouwband. 

Niets.           81

Ik heb niets 
en wil ook niets bezitten.
Ik heb slechts de liefde
voor de schoonheiden 
de mensen 
die onze moeder aarde bewonen,
maar niet oneindig, 
want zoals we haar nu verkrachten,
zal er straks geen plek meer zijn
voor mij,om lief te hebben.
Ik wil herinnerenhoe mooi ze was en mijn eerste liefde.
Ik neem haar mee,
als mijn tijd gekomen is.
Vergeet mij niet,moeder.

Bergen liefde.         82

Onze liefde brand,
als olie op het vuur.
Met mijn hand,
ruk ik je hart uit
en verruil hem
met de mijne.
Zo zullen we
altijd verbonden zijn.
Mijn bloed loopt
door jouw aderen.
De mijn door de jouwe.
Onze namen
zal ik in graniet houwen.
Rotsvast is onze liefde.
Daar komt geen steen tussen.
Ik zal je kussen.
De liefde uit je zuigen
en in de mijnen verbergen,
hoog in de bergen,
waar de lucht zuiver is. 

T.              83

Het is heerlijk om te ontwaken,
wetende dat de avond spoedig naderen zal.
En je je hoofd weer mag laten rusten,
wetende dat je spoedig weer in slaap val. 

Ja, ik ben mij terdege bewust,
dat dit taalkundig niet geheel klopt.
Maar valt u mij daar niet mee lastig,
ik dicht alleen maar voor nopt.

Familieband.          84
 
Opa rookte een sigaar.
Agio gouden oogst.
Wij rookte gewoon nog gezellig mee.
In “zijn” stoel verkocht hij
droge West-Friese humor.
Oma bakte
in “haar” keuken,
oliebollen en appelflappen.
Voor acht kinderen met aanhang
en een veelvoud aan achter.
Het huis was klein en vol,
er was niet veel,
maar dat was meer dan genoeg.
Familie, samenzijn en gezelligheid.
Tot mijn puberteit,
ik op eigen benen ging.
Herinneringen vervlogen.
Kwamen terug op begrafenissen en crematies.
Nu ben ik na scheiding alleen.
Mijn kinderen puberen
en lopen hun eigen leven.
De deur niet meer plat.
Ik hoop dat herinneringen eerder komen,
dan mijn dood. 

 
Mens zijn.              85

Ik schaam me mens te zijn.
Met z’n allen de aarde om zeep te helpen.
Haar misbruiken voor stijging van economische groei.
En de zeespiegel stijgt mee.
Hoever kan het stijgen?
Tot de zon het verbrand?
Het gat is al aangelegd.
Alles moet wijken.
Maar hoelang houden de dijken.
Poolkappen smelten in hoog tempo,
zoals het ijsje van mijn zoon.
En toch blijven we maar kappen.
Hoeveel bomen staan er straks nog overeind?
Is er nog tijd het tij te keren?
Is er nog tijd te kappen?
Of zijn we te laat?
Heeft het nog zin om woorden te verspillen?
Of zinnen te schrijven? Tot nadenken te zetten?
Ik denk dat het uitzichtloos is.
Niemand zit op te letten.
Zelfs politici spelen met hun mobiel,
Terwijl zij stukken moeten zetten.
Het staat al schaakmat.
Ik stop, ik ben het zat.
Ik schaam me mens te zijn.