Gedichten 1 t/m 24

Het strand           1

 
Blote borst
Zoutkorst
Teerhand
Patat met
Zandtand
Waterballet
Hondenpoep
Kindergeroep
Oude krant
Zonnebrand
Vette lijven
Vele stijven
Mooie meiden
Paardjerijden
Strandbal
Ouwe kwal
Duitse kuil
Grof vuil
Dikke lul
Drie bier
Ik zat
Als eerte
Hier

                        

Vogel.                   2

 
Geen vogel klieft
De lucht
En vist de vis
Die
Niet zwemt
Om
Gevist te worden
Door
Die geen die
Het geluid van
De vogel
Niet
Wil horen
Of
Nooit gehoord
Heeft willen horen
Omdat alleen
Het geluid van
Macht hem waardig was
Zodat hij
Heersen zou
Over
Aarde die nu
Zwijgt en zwicht
Voor hem
Die niet
Horen wil
Het geluid van
De vogel

Zunig                    3
 
Een zunige boer
Uit Oostgrafdiek
Kocht zijn condooms
Bij het antiek

 

Autist                   4

Onrustig 
Stuiterend 
Levend in
Werelden 
Die wij
Niet weten
Niet kennen
Niet kunnen
Verklaren in 
Vormen en
Termen van types
Weergaloos wetend
Of vormgevend
Aan uitingen
Van ongekende schoonheid
Surrealistisch spontaan
Spattend en spetterend
Verpletterend
Scheppen zij 
Luid lachend
Schreeuwend van
Opgehoopte opwinding
Wonderlijke werelden
Vormen zij
Vrij
Van voorgevormde
Verwachtingen
Leven
Zo 
Laten 
Zijn
Zelf
 




Eenzame vrucht        5
 
Een sprankelende fontein
In het midden van het plein
Vol bloesem geurende bomen
Waaronder mensen dromen
   
De vrouwen in wit satijn
De mannen rode wijn
In het midden van de ruste drukte
Waar ik de vruchten plukte
   
Alleen hoe langzaam
Worden bloesems vruchten
Om te plukken en te eten
   
Hoe eenzaam
Is het vruchten plukken
  
Die zich van geen plukken weten 

Viswijf.                 6
 
Nog
Ruik ik de lucht
Van
De vrouw
Die ik beminde
    
Zelfs
Na grondig wassen
Geurt
Het nachtenlang genot
Nog
In mijn neus
    
Nooit
Rook ik zulk
Een geur
Van een vrouw
Die ik beminde
    
Zelfs
Na grondig wassen
  
Als alle vrouwen
Zo
Zouden geuren
At ik nooit meer
Vis

Iemand                 7
 
Is er
Iemand
Die liefheeft
Mij
Die liever
Mij heeft
Die heeft
Mij lief
Dan wie
Dan ook
Ik
Jou
Jij
Mij  

Verliefd                  8
 
Soms
Ben ik
Niet goed
Bij monden
Dan zeg ik
Moorden
In plaats van
Woorden
De zinnen
Niet lopen
Zoals moeten
Ze zijn
Door
De liefde
Doet mijn tong    
Pijn

Politiek                 9
 
Hoe goed?
Moet!
Je liegen?
Zijn?
Om!
Een leugen?
Te verbergen!

Mug.                   10
 
Er zoemt
Een mug
Mijn kamer rond
Ik sla
Hem
Dood
Tegen het plafond

Laatste woorden.     11
 
In zwaar benevelde toestand
Hief hij het glas
En zei:
“Ik zal nooit meer
een druppel drinken”
En viel dood
Neer
Aan mijn
Zij

Autist                  12 
 
Onrustig 
Stuiterend 
Levend in 
Werelden 
Die wij 
Niet weten 
Niet kennen 
Niet kunnen 
Verklaren in 
Vormen en 
Termen van types 
Weergaloos wetend 
Of vormgevend 
Aan uitingen 
Van ongekende schoonheid 
Surrealistisch spontaan 
Spattend en spetterend 
Verpletterend 
Scheppen zij 
Luid lachend 
Schreeuwend van 
Opgehoopte opwinding 
Wonderlijke werelden 
Vormen zij 
Vrij 
Van voorgevormde 
Verwachtingen 
Leven 
Zo 
Laten 
Zijn 
Zelf  

Mazen                 13 

Door een fijnmazig net 
Begeef ik mij 
Probeer ik 
Me te behoeden 
Voor gevangenschap 
In 
Media en normen en waarden 
Was ik nog maar een behaarde 
Neanderthaler 
Vrij van oordeel 
Slechts de mammoet 
Had het slecht 
Die dreven we 
In afgronden 
En sloegen 
Met knotsen 
Zijn leven uit het lijf

Woorden            14

Woorden water
Vloeien vluchtig
Verdampen
In de lucht
Blijven hangen
Komen niet
Waar
Of niet waar
Ze wezen moeten
Of mogen zijn
Condenseren
Tegen ramen
Druppelen
Op vellen papier
Nat doorweekt
Verdwijnen woorden
Uit schriften
Uit hoofden
Lege hoofden
Niet gevuld
Met woorden
Verloren kennis
Niet zwemmen
In
Woorden water
Worden niets
later 

Heen en weer.        15
 
Langzaam loopt de klok,
de verkeerde kant op.
Wijzers tegendraads.
Hij tikt niet,
Hij hikt.
Tegen heug en meug,
gaat hij terugwaarts.
Het is niet zijn keus.
Mensen winden hem verkeerd op.
Liever stond hij stil,
bij het hier en nu.
Als hij nu eens luid zou slaan.
Zouden mensen dan ook
even stil staan.
Dat we heengaan.

Schrijven            16

Zes verzen 
Zou ik schrijven 
Ik wist er 
Echter geen 
Maar door 
Te denken blijven 
Heb ik 
Er toch nog één 

Schrijven             17 

Ik wil 
Schrijven 
Vellen vol 
Maar 
Het felle wit 
Grift 
Mijn netvlies 
Ik 
Verlies 
Mij 
In blinde woede 
       
Woorden 
Wil ik schrijven 
In verschillende vormen 
Ik wil 
Boetseren 
Met 
Mijn pen 
Mijn strand 
Mijn vrouw 
Mijn hand 
Ik 
Mij 
Alles 
En iedereen 

Mijn doodgoede vrouw        18 

Na jaren van ruzie 
Over mijn afwezigheid 
In de keuken 
Heb ik volgens traditioneel recept 
Maar eens culinaire gekookt 
De ingrediënten 
Bouillon 
Het vlees gerookt 
Ik zou willen 
Dat ze zichzelf 
Eens proeven kon 
Helaas 
Door haar afwezigheid 
In de keuken 
Heb ik alleen moeten eten 

Mijn dijk              19 
 
Gezeten op de groene dijk 
Van aarde en gras 
En schapen en keutels 
Nu geasfalteerd met een grindlaag 
Wat lelijk vallen is op de fiets 
Keek ik uit over het wad 
Waar vissers de haven zochten 
Op blote voeten 
Liep ik door het zachte slijk 
Eerst nog slijmerig door mijn tenen 
Daarna tot mijn knieen 
De schepen tegemoet 
Ook ik zocht een haven 
Vergezeld door mijn beste maatjes 
De meeuwen 
Die schreeuwend mij belaagde 
Of waren het Gods engelen 
Die bij opkomend vloed 
Mij de dood behoede 
Zodat ik mij kon spoeden 
In slijkengang 
Naar vaste wal 
Daarna was het stil 
En voelde ik mij vetlaten 
Bij thuiskomst 
Zei mijn moeder 
Dat we scholletjes aten 

Naar school.           20 
 
Wel of geen weer? 
That’s not the question 
Noch de vraag 
Moet ik gaan of niet 
Je moest 
Twaalf heen, twaalf terug 
Vierentwintig kilometer welgeteld 
Door oneindig platte polder 
Hier en daar een boom 
Of een boerderij 
Verder niets 
Dan je fiets 
En altijd tegenwind 
Heen tegen 
Terug tegen 
Je zou en moest het bereiken 
Het diploma! 
Het bereiken van school 
Was mij zat 
Toch slaagde ik 
In één keer 
Ook voor mijn rijbewijs 
Wind doet mij nu niets 
Ik ga nog zelden op de fiets 

Boom                  21 

De boom 
Staat 
Rij aan rij 
Aan de kant 
Of eenzaam 
In het land 
Ademt in 
En uit 
Zonder mond 
Haalt voedsel 
Uit de grond 
Heeft zijn nut 
Doet zijn plicht 
Zuurstof 
Of 
Voor het gezicht 

Ruzie                   22 
 
Waarom schreeuw je zo? 
Kun je niet praten? 
Gewoon met woorden? 
Werp al mijn daden maar 
Voor mijn voeten 
Ik zal ze stuk trappen 
Met mijn hielen 
Als bubbeltjesfolie 
Elke knal zal je schrikken 
En je iets goeds herinneren 
Maar als je je oren sluit 
Zal ik zwijgen 
En me omdraaien 
Spijt? Ik niet. 
Jij? 

Vlinder                  23

Zet stil
de klok. 
Laat mij jou 
aanbidden. 
In het vacuüm 
van oneindigheid. 
Tijdloos 
zonder grenzen. 
Neem mijn hart 
mijn leven. 
Pak mijn liefde 
raap het op. 
Ik zal sterven als 
een vlinder in de kou 
Als jij zegt 
“Ik hou niet meer van jou”

Mijn zoon            24
 
Zout, bitterzoet, zweet 
Geurend 
Twee natte cirkels 
Onder zijn oksels 
Vormen vlekken van 
Venijnig vormeloosheid 
Vormgevend zijn 
Volwassenheid 
Onrustig, onzeker 
Onderzoekt hij 
Onderwerpen 
Die nog overkomen 
Als onneembare vestingen 
Elke stap is groei 
Verder varend 
Door verwarrend water 
Warrig zeewier 
Nog weerloos 
Wetende wordt hij 
Door ploeteren 
Door waden 
Ooit weerbaar 
Schiet hij wortel 
Zweet droogt op 
Maakt plaats voor 
Vaste vormen 
Volwassenheid 

 
Opbellen
E-mail