Hier plaats ik mijn korte verhalen als columns over alle dingen die ik meemaak, zie, beluister of waar ik je over aan het nadenken wil zetten. Of gewoon voor het vertier.  

Maar is de ontkenning van het voorafgaande. Niet maar als eerste woord van een zin, maar maar ertussenin. Maar vooraan is gezeur. Maar waarom doe je nu zo tegen me? Maar het is altijd slecht weer in Nederland. Maar dan wil ik wel morgen. Nee, maar als voegwoord. Een voegwoord, maar dan wel één die niets toevoegt. Ik drink graag een rode wijn, maar ik houd meer van bier. Waarom zeg je dan niet gewoon dat je van bier houdt. Ik wil graag met je vrijen, maar vandaag ben ik te moe. Zeg dat dan gewoon en stel me niet teleur, denk ik dan. Maar het is wel hardnekkig hoor. Maar mijden. Probeer het maar eens. Ik probeer het vaak, maar het valt me niet mee. Het is handiger om te beginnen met wat je wel wilt en dan te vertellen wat je niet wilt. Gebruik het voegwoord en. Niet als opsomming, maar om dit soort zinnen te vermijden. Ik houd van vrouwen en mannen vind ik ook leuk op z’n tijd. Ik ben niet homoseksueel hoor, maar gebruik het als voorbeeld. Lastig he. Niet om te kiezen tussen man of vrouw, maar om niet te maren. Zo komt er nooit een eind aan dit verhaal, maar als je snel doorleest heb je het wel weer gehad. Er is niets aan en toch zo boeiend. Ik hoor je denken:” Leuk hoor, maar voor deze onzin betaal ik geen abonnementsgeld.” Probeer het eens met en. “Ik vind dit zo’n onzin en zeg bij deze mijn abonnement op” Het kan wel zie je, maar blijf wel lid hoor. Dan sla je mijn stukjes over en lees je de rest van de krant. Wel jammer, want het is soms wel de moeite waard. Nog zo’n mooi voegwoord. Ook één die je ontkennend kan gebruiken. Ik ga graag naar buiten, maar nu niet, want het regent dat het giet. Maar dat is weer zeuren. Ach weet je, laat maar. 

Maria. Niet die uit de bijbel. Nee, Maria van de Appie. Elke dag staat ze keurig naast de ingang. Met de straatkrant. Van openingstijd tot sluiting. Zeven dagen in de week. Met regen en zonneschijn. Dan heb ik met haar te doen. Ze draagt altijd dezelfde rokken. Lagen over elkaar. Dan staat ze te zweten. Iedereen loopt aan haar voorbij. En ze lacht zo vriendelijk haar gele tanden bloot. Ik geef haar weleens wat. Hoef geen krant. Die lees ik toch niet. Maar ze kijkt me altijd zo lief aan. Ik wist niks van haar. Ik heb haar toen eens een hand gegeven. Haar naam gevraagd. En waar ze vandaan kwam. Uit Roemenië had ze verteld. Daar woonde drie zonen. Ze had tranen. Niet om mij geld uit mijn portemonnee te huilen. Nee, ze miste haar kinderen. Dat is toch niet gek. Nu hoor ik sommige van jullie denken:” Dan pleurt ze toch weer op naar d’r eigen land.” Dat vind ik niet origineel. Dat is meer taal voor politici. Jammer. We zouden ons wat meer in een ander moeten verdiepen. Niet oordelen voordat je iemand kent. Maak eens een praatje met je buurvrouw, voordat je haar een hoer noemt. Of neem eens de tijd voor Mohammed van tweehoog. Vraag hem wat hem bewoog om naar Nederland te komen, voordat je hem ziet als terrorist. Leer elkaar eerst kennen. “Meten is weten”, zei mijn vader altijd. Ik zou het omdraaien. Weten is meten. Je weet waarover je het hebt, als je iemand hebt gemeten. Niet zijn of haar lengte. De afstand die er tussen jullie is. Meet de nabijheid. De overeenkomsten. De humor. De gezamenlijke interesses. Weet waarover je praat. Meet. Mijd niet. Of zoals de Engelsen zeggen:” Meet each other.” Toon belangstelling en ontmoet elkaar. Ik ken Maria nu een beetje. Genoeg om te weten dat ze niet voor niets Maria heet. Ik heb haar gemeten. Maria van de Appie.


U, ja u. Denk je ook weleens over die ene letter na? Een prachtige letter. Een bakje vol leegte. Eén om te vullen. Een omarming. Gericht naar boven. Zoveel mooie woorden die door die letter iets unieks krijgen. Zoveel zinnen die erdoor verfraaid worden. De met een aura getooide auteur uitte zijn euforische geluk, toen hij na uiterste inspanning zijn ultieme uitgave in handen had. Toch zit die letter me ook dwars. Niet als letter tussen anderen. Als woord. Als beleefdheidsvorm. Geen mens ter wereld zo beleefd als de Britten. Alleen het woord polite klinkt al zo waardig. En dat alleen met het woord you. Wij moeten het doen met u. Zit in die ene letter zoveel beleefdheid verborgen? Ik denk het niet. Het zit in de toon waarop je iets zegt. Ik kan je de hemel in prijzen en u met het grootste gemak afbranden tot de grond.  Jammer. U zeggen moet. Het is er met de paplepel in gegoten. Vooral ouderen en onbekenden spreek we aan met u. Waarom? Met alle respect, maar sommige oudjes kunt u van mij die pil geven met hun zeurderige toon. En onbekenden heb ik niet. Ik stel me eerst netjes aan je voor. Dan zijn we bekend met elkaar. Dan voel ik me meer op mijn gemak als we gewoon je-een en jou-en. Ik krijg daar een warm gevoel van. U is zo koud en afstandelijk. We zijn toch allemaal uit dezelfde uitgang gekomen. We ademen dezelfde lucht. We zijn allemaal Homo-Erectus. Naakt kan ik mij niet verbergen achter u. Dan zijn we allen eender. Heerlijk lijkt me dat. En ook geen meneer en mevrouw. Ik heet Gerard. In mijn paspoort staat geen meneer Willems. Die naam heb ik niet voor niets gehad. Daar heeft mijn lieve moeder heel wat arbeid voor moeten verrichten. En nu hoor ik menig lezer denken: “Wat maakt u menu?” Ik maak je me nou. Uiensoep, uienstamppot met jus en als toetje een coupe ijs met een paraplu. 

Mens. Ik schaam me ervoor er één te zijn. Niet omdat ik nou zo’n beest ben. Ik doe mijn best. Ben meestal wel lief. Er lopen er echter zoveel vrij rond. Ze vechten. Soms voor de lol. Ze schieten en moorden. Ze bedrijven politiek of runnen een multinational. Ze noemen zich baas, of Trump, Poetin, Assad of gewoon Peter, Achmed, Fatima of Jantien. Ze vinden uit en bedrijven onzinnige wetenschap. Ze turen in de ruimte naar mogelijk leven. Dat is toch bizar. Kijk om je heen. We zijn er al. En dat kost miljarden. En alle mensen op deze aardkloot kunnen we amper in leven houden. Ze sterven aan honger, dorst, oorlog of omdat ze niet meer willen. Ik snap dat niet. We zijn de enige die hun eigen soort uitmoorden. Zorg nou eerst dat we het hier knus en gezellig hebben. Geef iedereen te eten en een menswaardig bestaan. Doe normaal. Maar dat is het hele probleem. Ze vinden dat normaal. Ieder voor zich en God voor ons allen. En dat gaat ook niet. Ze hebben allemaal hun eigen God. Het is wel dezelfde, maar die van hun is beter. En dat moet die ander dan weer weten en voelen. En daar spelen ze dan weer oorlogje over. En dan zijn we die hele aardkloot ook aan het verkloten. De ijskappen smelten, er is droogte of juist een teveel aan water. Weermannen kunnen niet meer het weer voorspellen. Laten die wetenschappers zich toeleggen op het oplossen van basale zaken. Natuurlijk zijn er genoeg die dat ook doen. Ze genezen en vinden medicijnen uit. Maar rekken ook het leven tot de rek eruit is. En dan zijn de verzorgingstehuizen overvol met mensen van 127 die eigenlijk helemaal niet willen. Daar hebben ze een pil voor uitgevonden. Maar die mag weer niet. Nu hoor ik u denken:” Man wat zit je toch te zeiken.” Daar heb je gelijk aan. Ik moet heel nodig. En dat is zo een opluchting. Moeten we allemaal doen. Meer zeiken. Mens zijn.

 

De bel gaat. De centrale intercom van de flat. Ik neem op. Ze komen het woord van God brengen. Stop hem maar in de brievenbus denk ik. Ik zeg dat ik geen behoefte heb. Ik bedenk me. Heb wel zin in een verzetje. Na een minuut ren ik naar beneden. “Kom toch maar binnen.”, zeg ik. Een oudere man en dame volgen mij naar boven. Ze moeten wel hun schoenen uit doen. Huisregels. Mijn flatje is mijn tempel net als mijn lichaam. Daar moet je schoon op zijn. De man bukt moeizaam. Ik bied ze thee en koffie aan. Het zijn Jehova’s. Stom. Daar heb ik het nou net niet op. Hadden ze niet gezegd. Ach, laat ze maar hun verhaal doen. Het zijn lieve sympathieke mensen. Er ontstaat een levendige discussie over de problemen in de wereld. En natuurlijk wordt er menig citaat uit de bijbel gehaald. Alles wat God met ons van plan is. De waarheid. Ik vertel ze dat ik Boeddhist ben. Die zegt dat die absolute waarheid niet bestaat. Ik geef wat voorbeelden. Een glas. “Is hij leeg of vol?”, vraag ik. Zij zeggen vol. Er zit lucht in. Ik zeg nee en houd het glas ondersteboven. Er valt niets uit. “Zie je leeg. Jouw waarheid is anders dan de mijne.” Ik tutoyeer. We zijn allemaal gelijk geschapen door God. Dus kunnen we best je-een en jou-een. De vrouw zegt niet veel. Hij blijft maar citaten aanhalen uit Jacobus 4 vers 6 en Lukas 12 vers 9 of zo. Daar waar staat dat Jehova de enige echte waarheid spreekt. “Ja, dat zeg jij.” “Maar het staat er.”, probeert hij. “Ik vind dat niet. Wie heeft er nu gelijk?” Ik pak wat boeken met uitspraken van Boeddha. Haal citaten uit de Soera’s aan. Ik kan ze niet overtuigen. Hij mij ook niet. Dat is natuurlijk wel de bedoeling van hem. Jammer. Hij is 81. Bijna klaar om God te bezoeken. Kijken of hij gelijk had.

Werken. Ja daar heeft de evolutie voor gezorgd. We hadden ook kunnen blijven rondtrekken. Eten zoeken en verder niks doen. Maar we moesten zondig door ontwikkelen. Het zat er toen al in. Meer, meer, meer. Nu zijn we dan zo ver. We werken ons te pletter. Voor een auto. Voor de hypotheek. Om te eten, terwijl dat in de natuur voor het oprapen ligt. We werken omdat het moet. We kunnen niet meer terug. Zou ik wel willen. Maar dan kon ik geen stukjes schrijven. En het is ook prima. Doe je leuk werk? Doe je het met plezier? Heerlijk toch. Maar op een gegeven moment wordt het tijd om te genieten van een welverdiende rust. Je hebt lang genoeg gewerkt. Het wordt tijd voor een mooie oude dag. Op je 65 ste mag je stoppen. Eigenlijk al best oud. De meeste hebben er dan al meer dan veertig jaar op zitten. Lijkt me meer dan genoeg. En nu willen ze dat je door gaat tot je 67 ste. Bizar. Ongehoord. Als je wil mag je hoor. Ik houd je niet tegen. En houd je het vol? Prima, al ga je door tot je 80 ste. Maar dan denk aan mijn vader. Die mocht nog stoppen op zijn 62 ste. Die arme man. Stond toen nog in de winterse kou onder in een kotter. Tot zijn knieën in het koude zeewater. Elektromotoren te repareren. Gebukt vanwege de weinige ruimte. Kwam elke dag kromgetrokken thuis. Handen zwart. Vingers ingetapet met tape van zijn werk. En was chronisch rug patiënt. Nooit horen klagen. Maar dan tot zijn 67 ste. Belachelijk. Ook denk ik aan stratenmakers, onderwijzers, metselaars etc. Zie je die al op die leeftijd. Opa sleept nog met honderden stenen op een dag. De meeste stratenmakers zijn op hun 50 ste al af. Of opa voor de klas. Ja een ambtenaar in een ergonomische stoel. Achter een laptop en een koffiemachine. Nee. Ik zou zeggen:” Minder, minder, minder.” 


Vivisectie. Een prachtig woord. Klinkt als het schoothondje van een alleenstaande rijke dame. Zo één die lekker op schoot komt liggen als madam het behaagt. Helaas is minder waar. Haar dure parfum. Haar dure lipstick. Al haar dure schoonheidsmiddelen worden niet op de sexy Fifi getest. Vivisectie is eigenlijk het Latijnse woord voor snijden in levend weefsel. D’r zal weinig van de lieve Fifi over blijven. Gelukkig voor de lustige dame. Het woord betekent nu niets anders dan dierproeven. Ook daar weet lady Madonna wel raad mee. Ree, fazant, wildzwijn en parelhoen. Het zal haar lusten. Dierproeven is gewoon ordinair proeven doen met dieren. Meestal op schattige konijntjes, rustige ratten en aardige apen. Die krijgen brokjes of kroppen sla. Zitten zielig in een kooitje. Worden ingespoten of opgemaakt. Veel redden het niet. Dan worden ze uitgespoten en afgemaakt. Dat is natuurlijk niet waar hoor. Er zijn strikte richtlijnen. Alles gaat keurig. Er is geen dierenleed. Ach ratten lopen de hele dag rondjes. Apen worden gek en zijn niet hanteerbaar. En konijntjes zijn zielige kindertekeningen geworden. Plat en levenloos. Raar dat je er niet gewoon een kijkje mag. Even binnenlopen. Even kijken hoe Co zijn kaal geschoren Nijntje vertroeteld. Hoe Rita haar doorgedraaide rat aait. En de aap van Jaap in zijn martelstoel zijn hapjes krijgt. Maar nee. Ze doen hun werk. Het zou verboden moeten worden, maar het kan niet anders. In veel producten voor mensen zit troep. Dat moet je eerst op dieren testen. Is het veilig. Dan smeren wij er ons mee in. Gaan ermee onder de douche. Of wassen Fifi ermee. Maar waarom moet die rotzooi erin? Dan is het bijvoorbeeld langer houdbaar. Dat staat op de verpakking. Op de dieren staat het niet. Die hebben geen houdbaarheidsdatum. Fifi wel. Daar wordt goed voor gezorgd. Die krijgt alleen maar het beste. Alles veilig getest. En het baasje ook. Die wast haar edele delen met gecontroleerde middelen. Is wel zo gezond en lekker voor Fifi ook.  

Liefde. Wat een bijzonder fenomeen. Waarom heb je met de één een klik en met de ander niet? Of waarom voel jij het wel en zij niet? Of andersom. Menigmaal kijk ik om me heen. Dan denk ik wat ziet zij in hem? Wat ziet hij in haar? Waarom zijn die twee bij elkaar? Het is de onverklaarbare chemie hoor ik vaak. Maar wat is dat dan? Is het een stofje in je hersenen? Volgens mij zijn het toch je ogen die eerst signaleren en registeren. Je valt op iemands uiterlijk. Je voelt je tot iemand aangetrokken. Als hij of zij dan ook nog eens aardig is kan er wat moois ontstaan. Ik heb die klik weleens. Maar het gebeurt me zelden. Dat is niet gek. Toch ken ik ook mensen die uit elkaar gaan. Zijn de chemie kwijt en hebben binnen een week weer een klik met een ander. En dat soms drie of vier keer in hun leven. Hoe kan het dat stellen het vlammetje 50 jaar brandend houden en anderen slechts een aantal jaar? Soms is je relatie prima en heb je ook een klik bij een ander. Daar krijg je ook een relatie mee. Dat heet vreemdgaan. Ik vind daar niets vreemds aan. Het zou toch gek zijn dat er tussen 7 miljard mensen maar één is waar je een klik mee hebt. Ik heb weleens twee klikken tegelijk gehad. Dat is lastig, want dan moet je kiezen. En kiezen is niet mijn sterkste kant, dus bleef ik met lege handen achter. Liefde. Het blijft is merkwaardigs. Ik kan het niet verklaren. Er zijn dieren die een partner voor het leven hebben. De meeste niet. Kennen dieren ook liefde? Gaat het bij dieren alleen maar om de voortplanting? En sommige mannetjes hebben het goed. Die hebben hele scharen wijfjes achter zich aanlopen. Maar dat is omdat hij de sterkste is. Of is dat ook liefde? Dat is dan jammer voor mij. Ik ben niet sterk. Ja, ik ruik sterk, maar in tegenstelling bij dieren, blijven de vrouwtjes bij mensen dan liever op afstand.


Niet. Niet bestaat eigenlijk niet. Vernam ik tijdens een lezing over Neuro linguïstisch programmeren. Aan niet kleeft gevaar. Of vergeetachtigheid. Probeer maar eens niet aan een citroen te denken. Zeker weten dat die citroen direct in je gedachten verschijnt. Of als er glas op de straat ligt. Rijdt er dan niet doorheen. Geheid dat je er dwars doorheen gaat. Beter is het om het woord niet te vermijden. Ik denk aan een appel. Ik rijd met een boog om dat glas heen. Interessant, niet? Maar zo lastig om het niet te gebruiken. Kijk maar eens in een gezin. Doe dit niet. Doe dat niet. En wat krijg je? Vervelende kinderen die het juist wel doen. Of toen ik nog in de klas stond. Tijdens de citotest. Doe nog niet je boekje open. Pas als ik het zeg. Doet een kwart van de kinderen zijn opdrachtenboek open. Vergeet morgen niet je zwemkleding mee te nemen. Komen er zeker een aantal beteuterd vertellen dat ze het vergeten zijn. En dan een nietmachine. Die doet precies wat hem gevraagd wordt. Hij niet. En is hij leeg dan doet hij het nog. Dan doet hij het niet. Gebruik dan het woord wel. Neem wel je zwemkleding mee hoor! Laat wel je boekje dicht. Dan kan ik het niet uitleggen hoe het werkt en snap je het straks niet. In het laatste geval werkt het weer wel. Laat niet maar weg in de zin en ze doen het allemaal. Jij ook. En noem een nietmachine een welmachine. Kijk eens naar een nietsnut. Die doet de hele dag niets. Zeg hem niet dat hij niet zo moet luieren. Dat werkt niet. Het heeft zeker nut om te zeggen dat hij ertoe doet. Het beste voorbeeld is het woord nietig. Als je dat gebruikt is het zo klein dat je het niet ziet. En is het er dus niet. Snapt je er nog wat van? Ik niet. 

Een offday. Ik had er gisteren één. Niet dat ik uit stond hoor. Maar ik was zoveel energie kwijt aan niks doen, dat er niets uit mijn handen kwam. De hele dag op de bank. Geen zin om een stukje te schrijven. Bij deze schrijf ik hem dan toch nog. Geen zin om boodschappen te doen. Geen zin om te eten. Dat is een mooie combinatie, maar ik wilde ’s avonds niet sterven van de honger. Nu ga je niet direct dood van een dag niet eten, maar het slaapt zo beroerd. En nu lig ik evengoed wakker. Wilde toch nog een stukje schrijven. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Er is niets lekkerder dan iets te doen als je wakker ligt. Zonde van je tijd om naar het plafond te staren. Of driehonderdtachtig keer jezelf om te draaien. Of kwaad worden dat je niet slaapt. Dan heb je een offday, maar ook een offnight. En geheid weer een offday de volgende dag. Maak je nacht creatief en doe wat. Dat had ik maandag ook tegen mezelf willen zeggen. Maar ik was zo moe dat ik mezelf geen schop onder mijn kont kon geven. Dat lukt sowieso niet meer. Vroeger toen ik nog aan yoga deed was het een makkie. Nu krijg ik mezelf op die manier niet meer gemotiveerd. En er is niemand die het voor me doet. Heb jij er wel één thuis? Die je uit je bed schopt of van de bank? Ik ga er ook weer eens één zoeken. Ik had er één. Maar die is weg. Was het schoppen zat zeker. Hoewel ik toch genoeg deed voor mijn gevoel. Terugschoppen hoefde niet. Ze was altijd bezig. Daarom wilde ik ook wel schoppen. Maar dan om te zeggen dat ze mocht stoppen en rust moest houden. Had die maar eens een offday. Ja, ik ga er weer één zoeken. Maar wel één vanuit liefde. Dat is ook belangrijk. En ze moet lief zijn en zachtjes schoppen.  


Hardlopers zijn doodlopers. Ik niet hoor. Ik loop op de zaken vooruit. Ik doe wel rustig aan. Maar na een offday van gisteren lig ik nu toch wakker. Kan ik net zo goed mijn column voor vandaag schrijven. Als je hardloopt en je doet je ogen dicht in een doodlopende straat dan heb je gelijk. Dan ben je als hardloper goed dood als het tegenzit. Daarom heet het ook een doodlopende straat. Wel gek eigenlijk. Waarom heet dat zo? A ga je niet echt dood natuurlijk. En B wie zegt dat je daar alleen mag lopen. Ik kan toch ook een doodrijdende straat in rijden. Of een doodfietsende straat. Of doodwandelende straat. Nou probeer met zo’n slakkengang, met je rollator je maar eens dood te wandelen. Het klinkt ook zo negatief. Doodlopend. Alles moet maar dood. Doodgewoon noemen ze dat. En nog doodleuk erom lachen ook. Ik vind er niets aan. En als je toch dood gaat in die straat zeggen ze van je dat je een doodgoeie jongen was. En nu goed dood. Jammer dat hij er niet meer is. Ik verveel me dood. Kan dat? Je doodvervelen. Is dat geen oplossing voor een milde euthanasie? Dat gaat niet op. Die oudjes vervelen zich al dood. Maar doodgaan, ho maar. En mensen met een doodswens doen de hele dag niets. Misschien vind je dit stukje wel doodsaai. Nou daar heb ik een broertje dood aan. Dan lees je toch de krant. Staat vol van de dood. Dooie kinderen in Syrië. Dooie kippen met miljoenen vergast. Hele pagina’s over de dood. Mensen lezen dat. De overlijdensadvertenties. Wie is er nu weer dood? Was hij of zij alleen? Hoeveel nabestaande? Wordt hij begraven of gecremeerd? Ach, er staat er ééntje tussen die na een noodlottig ongeval is overleden. Dat is naar. Waarschijnlijk een doodlopende straat in gelopen. Of een hardloper. Want hardlopers zijn doodlopers. Ik doe het vandaag rustig aan. 

Ik ben moe. Ja en ik ben pa. Dat was steevast het antwoord van mijn vader. Zo’n dooddoener. Zo flauw. Wat moet je dan zeggen. Ik ben wat oververmoeid. Qua energie laat het te wensen over. Dat zegt een puber niet. Een puber hangt op de bank of op bed en is moe. Moe van school. Moe van rondhangen met vrienden. Moe van gezeur. Moe van het gamen. Moe van de verveling. Moe van alles. Het leven is zwaar. Dat zei Bertine Kaandorp zo heerlijk. Zijn we allemaal niet een beetje moe. Moe van onze kinderen. Moe van onze partner. Moe van alle ellende op tv. Moe van het werk. Moe van het als maar moeten. En om tot rust te komen gaan we op vakantie. Stressen we ons bij het inpakken van de auto, de koffers en of we alles mee hebben. Staan we uren in de file bij Parijs. Rijden we dagen naar het zuiden. Zetten we de tent op. Vliegen zestien uur naar een tropisch oord. En dat voor een beetje rust. Omdat het wat kost moeten we ook naar de Eifeltoren, het San Marcoplein of de Borobudur. Daarna draaien we alles weer om. Stressen we om alles in te pakken. Maken een lange terugreis en staan weer uren in de file. Thuis moet alles is de was. Alles moet weer opgeruimd worden. En dan zijn we bekaf van een mooie reis. En een flinke duit armer. Arme zielen zijn we toch. We werken ons in het zweet om vermoeid op vakantie te gaan en om net zo vermoeid weer thuis te komen. Ik ben moe zegt pa. En de pubers zijn moe. En het meest moe zijn de moeders, maar dat zit al ingebakken in hun naam. Vandaar dat er meer lesbiennes zijn dan vroeger. Kan er één de mannenrol op eigenen. Nou ik ga straks wel een blokje om. Niet te ver van huis. Niet te lang. Ik ben al moe. 


Verkiezingen. Een woord met veel inhoud. Je kunt er precies uithalen waar het over gaat. Neem nou ver. Het is een ver van mijn bed show. Ik volg alles op tv en sociale media. Toch voel ik me niet echt betrokken bij het geheel. Ja, ik kan zelf naar partijbijeenkomsten gaan of debatten. Maar dat gaat me dan weer te ver. En dan kiez, maar dan als kies. Ik vind die politici bijna allemaal zo onecht lachen. Als een boer met kiespijn. Ze lachen wel, maar denken ondertussen aan geheel andere dingen. En op alles wat ze er uitkramen bijt ik mijn kiezen kapot. Ze richten zich tot het volk, maar geen boer die het begrijpt. Kunnen ze niet wat zakken met hun intelligent geneuzel. Ik kan er zelf soms geen touw aan vastknopen. Prima middel om kiezen mee te trekken. En dan zingen. Sommige politici zingen zo hoog van de toren dat ze van mij wel een toontje lager mogen zingen. Zo veel te doen. Ze hebben nog zoveel te doen. En het liefst willen ze in dat torentje zitten. Ze moeten het land toch dienen. Niet gaan zitten theeleuten in dat uitbouwtje. Meer is het niet. Een soort serre voor de high tea. Er zijn overigens politici die in z’n geheel niet zingen. Die gaan voor het zingen de kerk uit. Dat moet van hun geloof. Waarvan ik dan weer vind dat dat niet in een tweede kamer thuishoort. Niet dat zingen hoor. Maar ik ben voor scheiding van staat en religie. Als je de bijbel of koran erbij haalt komen ze er in die kamer nooit meer uit. En dan als laatste zin. Wat heeft het allemaal voor zin. Ik stem wel hoor. Dat ben ik toch verplicht. Maar wordt mijn stem wel gehoord? Komt mijn partij wel in de regering? Dan doet mijn mening er dus niet toe. Dat is democratie. Velletje papier in een bus en dat was het dus. En van mijn mening zie ik niets meer terug. Het is gewoon een kleurwedstrijd. Eén rondje. 

Mei. Heerlijk de lente. En straks de zomer in aantocht. Alhoewel het nu nog wat fris is voor het jaar. Toch vliegen vogels af en aan om hun nesten te bouwen. Ik heb er af en toe nog moeite mee om eruit te komen. Maar ik ben altijd een rare vogel geweest. Alles begint weer te groeien. Menig bloem doet zijn best om zich in alle geuren en kleuren te laten zien. Bomen tooien zich weer met vers groen. De natuur in al zijn levendigheid. Lammetjes dartelen in de wei en mekkeren er lustig op los. Zo’n lief gezicht. Maar je zal ernaast wonen. Nu is het wachten op de wespen, bijen en de muggen. Die verpesten het hele natuurschoon dan weer. Ze storen je bij de barbecue, zoemen irritant rond je hoofd en houden je uit je slaap. Waarom kan het zelfs in de natuur nou nooit eens rustig zijn. Er zijn er altijd weer die de boel verpesten. Wat dacht je van dazen. Vaak verward met horzels. Nee het zijn dazen die zo ongehoord rondjes rond je vliegen om je daarna venijnig te steken. Wat een pokkenbeesten. Ik ben geboeid door insecten hoor. Als ze hun gang gaan en mij met rust laten. Ga honing halen, haal bloed bij een paard, steek een koe. Bij mij valt weinig te halen. Te brengen wel. Meeuwen en spreeuwen schijten je hele terras onder. Met een beetje goed richten zit het op je hoofd. Rustig eten bij de friettent is er niet meer bij. Ik heb een voorliefde voor meeuwen. Het gekrijs doet me altijd denken aan strand en zee. Maar laat mij rustig van m’n patatje genieten. En dan al die mensen die erop uittrekken op hun elektrische fiets. Razen je voorbij met hun zelfde afritsbroeken en windjack van de ANWB. En vanavond hak ik nog even een ringetje bast weg rond de stam van de boom die voor mijn balkon staat. Ik heb door die kloteboom geen uitzicht meer en mijn zonnetje is weg. 

 

Naaien. Om maar een voorbeeld te noemen. Als puber naaide ik al. Ik zette zelf mijn knopen aan mijn overhemden. Met een vriendin naaide ik onderbroeken en broeken. Daarna naaide ik mijn vriendin. Wat is dat toch met die dubbelzinnigheid van woorden. Op het voortgezet onderwijs kon je in het Duits nog niet tot zes tellen of de jongens kwamen niet meer bij. Toen ik nog voor de klas stond hoefde ik het maar over aftrekken te beginnen en de hele klas lag in een deuk. Tijdens een les geschiedenis hadden we het over de Homo Erectus. Je snapt hem al. Laats bij een televisie-uitzending. Wat mensen van Homo Sapiens vonden? De meeste vonden dat dat wel moest kunnen. Een enkeling had er zo zijn twijfels over. Homo is mens. En het Engelse gay betekent leuk, vrolijk. I feel so gay today. Ik krijg altijd zo’n trek in een broodje zoute haring als ik de tent opzet. En als ik daarna ’s avonds mijn hoofd op mijn kussen leg, droom ik steevast over de mooiste vrouwen die ik mag kussen. Als ik de app van mijn bank open, lig ik daarna uren zwaarmoedig op de bank. Allemaal onschuldige synoniemen. Niets mis mee. Maar die dubbelzinnigheid in woorden die niets met elkaar te maken hebben. Schijt ergens aan hebben. Ik moet er niet aan denken. Ik houd mijn anale opening altijd keurig schoon. Het woord viespeuk. Een peuk is een sigaret. En vies is hij als op de grond heeft gelegen. Zo geel en natdoorweekt. Is een viespeuk iemand die daarop gelijkt of stoute dingen doet met kleine meisjes? Dat is een smeerlap. Een lap waar een monteur van auto’s zijn handen mee schoonmaakt. Die mogen de pijp uit. Of juist de pijp in. De oven in of in een lange buis onder de grond levend begraven. Hoe het ook zei. Ik verkies toch het vermenigvuldigingen boven het aftrekken. Dat heb ik vroeger genoeg gedaan. 

Moe. Ik was deze week zo moe van allerlei gedoe. Ik lag maar wat te herkauwen op gedachtes en gebeurtenissen die ik niet kon loslaten. Echt een koe die lui ligt te malen. Hij met zijn gebit en ik mijn hoofd. Ik werd moe van mezelf. Zo ontzettend ogelooflijk moeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeooeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoe. Nu gaat het wel weer. Ik probeer het gewoon door te slikken. Ik heb nu wel genoeg gekauwd. Nu kijken hoe het er weer uitkomt. Wordt het een bevalling of een vlaai. Ik trakteer me op de laatste. 

 

 

Jij. Ja, jij. Niet u. U hoeft niet. Ik schreef er al een keer een stukje over. Maar nu het verschil tussen de officiële woorden voor het jij en u zeggen. Voor jij hebben we het Franse woord tutoyeren. Een prachtig woord. Het rolt over de tong. En het woordje u komt er ook nog in voor. Nu het woord voor u zeggen. Vousvoyeren. Ik weet het niet het niet. We gebruiken het woord nooit. Volgens mij kennen de meeste het woord niet eens. Zullen we elkaar met u aanspreken of gewoon tutoyeren? Dat hoor je in menig praatprogramma. Je hoort ze nooit zeggen:” Zullen we tutoyeren of vousvoyeren?” Vousvoyeren heeft ook iets stiekems. Het tweede deel van het woord voyeren heeft ook een heel andere betekenis. De vertaling is inkijken, gluren of loeren. En dan nog vous ervoor. Dat geeft bij mij de associatie met vies. Mensen die u gebruiken zijn dus vieze gluurders. Ze willen alles van je weten en hebben zelf wat te verbergen. Zouden we het niet gewoon urineren kunnen noemen. Dat klinkt ook heel Frans en begint ook met u. Dan zijn we van dat hele gezeik over het je-een en jouwen af. We tutoyeren elkaar of we urineren elkaar. Vinden sommige nog lekker ook. En in de politiek lopen ze elkaar toch al de hele dag af te zeiken over ditjes en datjes. Elkaar bespieden op foutjes en woorden waar ze elkaar op kunnen tackelen. Dus dat komt mooi uit. Laten we elkaar nu eerst eens behoorlijk, persoonlijk en beleefd aanspreken. Niet met etiketten, maar gewoon van mens tot mens. En met respect voor elkaars mening. Daar hebben we u toch niet voor nodig. Daar hebben we jou voor nodig. Jij die iemand in zijn waarde laat en met een vriendelijke toon het de andere gemakkelijk maakt. Hem of haar vol respect aanspreekt. Vousvoyeren. Vergeet dat woord. Daar komt alleen maar ellende van. Als je wilt vousvoyeren ga je maar in de duinen liggen met een verrekijker bij het naaktstrand. 

Groeten. Ik ben nu op een camping. Iets valt me op waar ik al jaren over nadenk. Wat doe je als je elkaar meerdere keren achter elkaar tegenkomt. Natuurlijk groet je elkaar. Tenminste dat vind ik logisch. Net nog liep ik iemand voorbij en deed dat ook netjes. Na nog geen tien minuten kwam ik dezelfde persoon weer tegen. Ik merkte dat hij zich ongemakkelijk voelde en ik had eenzelfde soort gevoel. Vroeger groette ik nog wel een keer. Maar het houdt op een gegeven moment op. Nu doe ik dat niet meer. Ik was benieuwd wat de naderende man zou doen. Hij deed precies zoals ik verwachte. Hij draaide zijn hoofd om. Hij deed alsof iets zijn aandacht had getrokken. Er was niets, maar hij was mij voorbij. Vanbinnen had ik een pretje. Als ik het verleden bezie valt mij op wat voor manieren mensen gevonden hebben dit soort ongemakkelijkheden te voorkomen. Men draait zoals deze man zijn hoofd om, men kijkt naar de grond. Of daar het begin van hun miljoen ligt. Men doet net alsof ze in diepe gedachten zijn verzonken. Groeten iemand anders, die in geen velden of wegen te bekennen is. Men pakt snel het mobiel, een blaadje of iets anders om zich af te leiden. Soms maakt men een flauwe grap. Bij de derde keer moet je trakteren, waarna je ze nooit meer ziet Kortom er zijn zoveel escapes. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Toch zijn er mensen die toch terug blijven groeten. Uit beleefdheid. Ik vind één keer wel genoeg. Of later op de dag nog een keer. En knoop er dan een praatje aan vast. Uit interesse hoe de dag is verlopen. Of je groet gewoon helemaal niet, maar blijft stoïcijns voor je uit kijken. Maar als je iemand veelvuldig tegenkomt op je werk dan? Ik verzon elke keer een andere manier om elkaar aandacht te geven. Een hoffelijke buiging, een lach, een knipoog of dergelijke. Groeten blijft lastig. Ik zou zeggen, de groeten.

 
Opbellen
E-mail